OP ZOEK NAAR HET KERSTKIND

 


Op zoek naar het kerstkind

 

Voorleesverhaal door Nieske Selles -Ten Brinke

 

‘Kom snel, Tuvia! Er zijn herders in de stad met een heel vreemd verhaal. Mijn vader vertelde het. Ga je mee? Dan gaan we ze zoeken!’

Amos staat hijgend voor Tuvia. Die is nog druk bezig om twee takjes met een restje touw aan elkaar vast te maken. Hij maakt een wagen om aan zijn houten paard te binden. Het lukt al aardig.

Amos trekt hem aan zijn arm. ‘Kom nou Tuvia. Straks zijn ze misschien de stad weer uit.’

De nieuwsgierigheid wint het van zijn verlangen om de wagen af te krijgen. ‘Wat voor verhaal hebben ze dan?’ vraagt Tuvia aan zijn buurjongen. Die haalt zijn schouders op, Tuvia met zich meetrekkend. ‘Ik weet het niet precies. Er is iemand geboren. En de herders zeggen dat alles nu gaat veranderen. Ik wil horen wat er precies gebeurd is. Kom!’

Samen hollen de jongens over de stoffige straten. Er zijn weinig mensen op straat. Maar als Tuvia en Amos dichter bij het centrum van Betlehem komen, wordt het steeds drukker. Mensen praten opgewonden. Sommigen lachen en roepen spottend: ‘Heb je het verhaal gehoord van de herders? Haha… een engelenkoor in de nacht. Dat kan toch helemaal niet?’

Een herbergier die zijn straatje schoonveegt voor de nieuwe gasten van deze dag, schudt ongelovig zijn hoofd. Een vrouw met manden vol graan loopt net langs hem. Ze blijft staan en zegt: ‘Ik heb het ook gehoord. En volgens mij is het waar. De engelen hebben verteld dat de Messias, de Verlosser, is geboren! Als dat toch eens waar is…’ In zichzelf mompelend loopt de vrouw weer verder met haar zware vrachtje.

‘Waar zijn de herders nu?’ vraagt Amos ongeduldig aan de herbergier. ‘Ze staan nog op het marktplein. Maar doe geen moeite jongens. Het zijn onzinverhalen.’ Amos en Tuvia weten genoeg. Meteen zetten ze het weer op een lopen, nu richting het marktplein. Ze hoeven niet lang te zoeken. Op het marktplein staan veel mensen bij elkaar. In het midden van hen herkent Tuvia Naftali. Naftali is een herder die vlak bij hen woont. Hij heeft veel schapen en hij is erg sterk. Ooit heeft hij met een beer gevochten en zo zijn lammetjes beschermd. Veel mensen kijken tegen hem op.

Naftali ziet Tuvia en Amos. Hij wenkt hen om dichterbij te komen. ‘Tuvia, jouw naam is vannacht waarheid geworden!’ roept hij over de hoofden van mensen heen. De mensen zijn stil geworden en kijken ineens allemaal naar Tuvia. Zijn wangen worden er een beetje rood van. ‘Tuvia, jouw naam betekent: “God is goed”! Deze nacht is God zo goed voor ons geweest. Wij, enkele herders en ikzelf, waren in het veld. We warmden ons aan het vuur en hielden de wacht over onze schapen. Plotseling scheen er in de lucht een licht dat ons allemaal verlichtte. We konden er niet naar kijken, zo fel was het licht. Het licht begon te zingen. Een prachtig lied. Het ging over God en over de hemel. Het ging over vrede op aarde en over een God die van mensen houdt. Toen het lied uit was durfden we voorzichtig te kijken. We zagen een groot koor van engelen.

Een van hen begon te spreken: “Vannacht is vlak bij dit veld, in de stad Betlehem, een kind geboren. Hij is niet zomaar een kind, maar Hij is de beloofde Verlosser. Zijn naam is Jezus!” We hebben onze schapen zomaar achtergelaten en zijn gaan zoeken. En… we vonden Hem! Weet je waar? In een stal. Daar, achter die heuvel bij de herberg van Shion. In die stal vonden we Hem en we wisten het meteen. Dit is het kind over wie de engelen zongen. Dit is de Verlosser, onze Verlosser!’

Naftali heeft tranen in zijn ogen gekregen. ‘Begrijp je het nu Tuvia? Jouw naam is vannacht uitgekomen. Want God is goed voor ons geweest!’ Tuvia staat te trillen op zijn benen. Hij laat zich door zijn knieën zakken en gaat op de grond zitten. Amos laat zich naast hem op een boomstronk zakken. Terwijl de mensen om hen heen weer beginnen te praten, heeft Tuvia het gevoel dat de aarde rondjes draait. Waarom is hij zo van streek? Hij begrijpt het niet…

De mensen om hem heen beginnen tegen Naftali te schreeuwen. ‘Houd je praatjes voor je herder!’ roept de bakker. ‘Je zaait alleen maar heel veel onrust in de stad!’ ‘Laat ons met rust, Naftali!’ roept de smid. ‘Waarom zouden wij een Verlosser nodig hebben? Ik hoef helemaal geen Verlosser!’

Naftali probeert de mensen nog eens te overtuigen, maar de mensen druipen één voor één af. Dan ziet Naftali Amos en Tuvia. Hij komt naar hen toe en zakt door zijn knieën. ‘Wat is er Tuvia? Je bent zo wit!’ vraagt hij. Tuvia haalt zijn schouders op. ‘Het komt door uw verhaal,’ zegt hij. ‘Ik wil weten of het waar is. Papa en mama hebben al zo vaak verteld over een Verlosser die ooit zal komen. Is het nu dan echt gebeurd? Hoe weet ik het zeker?’ Naftali legt zijn grote ruwe herdershand op het hoofd van Tuvia. Met zijn andere hand pakt hij Amos bij zijn schouder. ‘Jongens, ga naar Hem toe!’ zegt hij hees. Zijn stem verraadt dat hij nog steeds tranen in zijn ogen heeft. ‘Ga Hem zoeken en dan zul je het weten!’ Dan staat hij op en verdwijnt tussen de huizen.

De jongens blijven nog een tijd stil zitten. De straten zijn weer leeg. Het is weer rustig op het marktplein. Dan staat Tuvia op. ‘Ik ga Amos,’ zegt hij. ‘Ik wil het zeker weten. Ga je mee?’

Amos twijfelt. ‘Als alle mensen zeggen dat het onzin is, waarom zou Naftali dan gelijk hebben?’ Tuvia schudt zijn hoofd. ‘Het is geen onzin. Ik voel het gewoon. Ik wil Hem zoeken. Als je niet mee wilt, ga ik alleen.’ Maar Amos volgt hem al. Samen lopen de jongens de stad weer uit in de richting van de herberg van Shion.

De herberg is net buiten de stad en na een kwartiertje lopen zien de jongens het huis liggen. Naftali zei dat de Verlosser niet in de herberg is geboren, maar in een stal,’ zegt Amos. De jongens lopen daarom niet naar de ingang van de herberg maar lopen om het gebouw heen het veld in. Een paar honderd meter verderop zien ze een kleine schapenstal. Bij de ingang staat een os. Met een touw staat hij vastgebonden aan een paal. Ook zijn er schapen die langs de houten wand van de stal gras eten. De deur van de stal staat op een kiertje open. Opeens blijft Tuvia staan. ‘Ik weet niet of ik wel durf,’ fluistert hij. Amos blijft ook staan. ‘Als we willen weten of Naftali de waarheid spreekt, moeten we gaan kijken,’ fluistert hij terug. Zachtjes komen Tuvia en Amos steeds dichter bij de stal. Juist als ze eigenlijk niet meer verder durven, steekt een man zijn hoofd om de hoek van de staldeur. Verbaasd kijkt hij naar de jongens. Dan breekt er een glimlach door op zijn gezicht. Hij steekt zijn hand uit naar Tuvia en Amos. ‘Welkom jongens, komen jullie om Jezus te zien?’ Tuvia knikt. Amos zet een stapje vooruit. ‘Naftali vertelde dat Hij de Verlosser is. We willen weten of het waar is,’ zegt hij. 

De man komt naar hen toe. ‘Ik ben Jozef,’ zegt hij. ‘Deze nacht heeft mijn vrouw Maria een zoon gekregen. Hij is haar zoon, maar ook Gods Zoon. Ik mag voor Hem zorgen. Het is een bijzonder kind, want Hij zal de mensen gaan verlossen en troosten. Hoe Hij dat gaat doen weet ik ook niet goed. Dat weet alleen God. Kom maar, dan mag je Hem zien. Hij is net wakker!’

Schoorvoetend volgen Amos en Tuvia Jozef in de stal. Daar, op een bed van stro, zit Maria. In haar armen heeft ze een heel klein baby’tje. Tuvia laat zich zachtjes op zijn knieën zakken. Vlak voor Maria en het kind. ‘Het is waar, Amos!’ fluistert hij. Tranen prikken in zijn ogen. ‘Hij is de Verlosser. Ik weet het zeker, ik voel het hier vanbinnen.’ Hij slaat met zijn vuist op zijn borst. Amos knikt. ‘We moeten het onze ouders vertellen!’ zegt hij schor. De jongens blijven nog een poosje zitten. Heel dicht bij Jezus. Maria kijkt hen aan en streelt over het hoofdje van haar kind. ‘Dit is niet alleen ons kind,’ zegt ze zacht. ‘Jezus is er voor alle mensen! Hij is er ook voor jou, Amos. En voor jou, Tuvia.’ Achter zich hoort Tuvia Jozef zachtjes lachen. Tuvia draait zich om. ‘Waarom lacht u?’ vraagt hij. Jozef maakt een rondedansje. Zomaar door de stal. Tuvia moet erom lachen en Amos en Maria ook. ‘Het is jouw naam! Tuvia… Jouw naam betekent: “God is goed”! En dat is zo waar. God is goed!’

Amos en Tuvia zeggen geen woord tegen elkaar als ze de weg teruglopen via Betlehem naar hun huis. Maar thuis vertellen ze aan hun hele familie wat ze gezien en gehoord hebben. ‘Jezus, de Verlosser, is echt gekomen!’